Ons leven als kind van God

Ons geestelijk leven is CHRISTELIJK leven

God geeft zich aan de mensen. Hij treedt helemaal tot de mensheid toe. De volheid daarvan is de Menswording van het Woord Gods: God zelf verenigt zich met het mens-zijn, neemt de menselijke natuur aan, God wordt onze broeder! Het mysterie van de Menswording vormt één geheel met het mysterie van Gods verlossende Barmhartigheid, waardoor God in Zijn genade zichzelf openbaart en zich aan ons geeft.

‘Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. Hierin heeft Gods liefde zich onder ons geopenbaard dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij door Hem zouden leven. Hierin bestaat de liefde; niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad en Zijn Zoon gezonden als zoenoffer voor onze zonden.

Geliefden, als God ons zozeer heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben’ (1Joh.4,8-11).

‘Want ook wij waren eertijds zonder inzicht, ongehoorzaam aan God en onderworpen aan dwaling, slaven van allerlei begeerten en lusten; wij leefden in boosaardigheid en afgunst, haat vergeldend met haat. Toen echter de goedheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, zijn verschenen, heeft Hij ons gered, niet op grond van werken der gerechtigheid die wij verrichten, maar louter uit barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing, die het werk zijn van de heilige Geest. Hem heeft God rijkelijk over ons uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade, erfgenamen zouden worden van het eeuwige leven waar onze hoop op gericht is’ (Tit.3,3-7).

‘Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder de Wet, om hen die onder de Wet stonden vrij te kopen, opdat wij het zoonschap zouden verkrijgen. Gij zijt werkelijk zonen, want God heeft in onze harten de Geest van Zijn Zoon gezonden, die roept: Abba, Vader! Gij zijt dus niet meer slaaf, maar zoon, en als zoon ook erfgenaam, dank zij God’ (Gal.4,4-7).

Als wij concreet over genade spreken, moeten wij dus over Christus spreken: Hij is ‘vol van genade en waarheid (…). Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen; genade op genade’ (Joh.1, 14 en 16). De genade die wij ontvangen danken wij aan Christus’ Menswording, maar vooral ook aan Zijn Kruisdood en Verrijzenis.

Christus’ leven staat gespannen naar ‘Zijn uur’: ‘Het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt’ (Joh.12,23). ‘Mijn spijs is, de wil te doen van Hem  die Mij gezonden heeft en Zijn werk te volbrengen’ (Joh.4,34). Heel Christus’ leven is aanvaarding en overgave: ‘Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven geef, om het later weer terug te nemen. Niemand neemt Mij het af, maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van Mijn Vader heb ontvangen’ (Joh.10,17-18).

Het Kruisoffer is dus niet het einde, maar de Verrijzenis en de Verheerlijking. Het Paasmysterie is de vervulling, de volheid van de tijden: daarin bereikt de heiligende ontmoeting, waarin God zich geeft en Jezus God ontvangt, haar hoogtepunt en de definitieve voltrekking en voltooiing. Daarom ook beschrijft Sint-Paulus het genadeleven als een incorporatie – een ingelijfd worden en zijn – in het mysterie van Jezus’ Kruisdood en Verrijzenis. Door het geloof en het heilig Doopsel worden wij ingelijfd en die eenheid-in-Christus vindt haar hoogtepunt en voltrekking in de heilige Eucharistie.

‘Gij weet toch dat het doopsel, waardoor wij met Christus Jezus in gemeenschap zijn getreden, ons heeft doen delen in Zijn dóód? Door de doop in Zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van Zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden. Zijn wij één met Hem geworden door het beeld van Zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in Zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn. Want wie gestorven is, is rechtens vrij van zonde.

Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook  met Hem zullen leven; want wij weten dat Christus, eenmaal van de doden verrezen, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. Door de dood die Hij gestorven is, heeft Hij eens voor al afgerekend met de zonde; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet ook gij uzelf beschouwen als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus’ (Rom.6,3-11).

Genadeleven is derhalve delen in de heerlijkheid en glorie van Christus. Genadeleven is dus glorievol, glorieus leven, nu nog verborgen en in stadium van begin en verdere groei, later in voltooiing, in alle volmaaktheid en volheid. ‘De genade is de aanvang van het eeuwige leven’ (St.-Thomas van Aquino).

In de Verrijzenis ziet Paulus niet alleen de persoonlijke verheerlijking van Jezus Christus, maar ook de inzet van een nieuwe bestaansorde: de bestaansorde van de verloste existentie, van het voor eeuwig en altijd definitief en onomkeerbaar verlost zijn.

We volstaan dus niet met te zeggen dat de genade tot ons komt ‘door Christus’ (Hij heeft ze inderdaad voor ons verdiend) maar de genade komt juist tot ons ‘in Christus’. Hij is meer dan alleen bewerker van de genade, Hij is tevens model en voorbeeld, doel en laatste zin, voltrekker en voltooier: Christus ís genade; alleen door in Hem te blijven, voltrekt zich in ons het genadeleven. Derhalve: genadeleven is bij uitstek christelijk leven!

We zijn geroepen om gelijkvormig te worden aan Hem, om deelachtig te worden aan wat Hij is van alle eeuwigheid: Zoon van God, en aan wat Hij door Zijn Verrijzenis is geworden in Zijn menselijke natuur: verheerlijkte Zoon van God, eerstgeborene van de vele broeders.

‘Intussen weten wij dat God in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben, van hen die volgens Zijn raadsbesluit geroepen zijn. Want die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van Zijn Zoon, opdat Deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. Die Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen. Die Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en die Hij rechtvaardigde, heeft Hij verheerlijkt.

Wat moeten wij hieraan nog toevoegen? Indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij heeft zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?’ (Rom.8,28-32).

Paulus zegt hier dus duidelijk dat wij geroepen zijn tot gelijkvormigheid aan Christus en daarmee ook voorbestemd voor de verheerlijking in Christus (de predestinatie in de juiste zin van het woord). Die predestinatie is een mysterie van licht en liefde.

‘God is licht en in Hem is geen duisternis’ (1Joh.1,5b). ‘…Want God is liefde’ (1Joh.4,8b).

Om God te zien, moet men in het leven van God worden opgenomen; in het eeuwige leven zullen wij God kennen en Jezus Christus. ’En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus’ (Joh.17,3).

Wie in de geheimen van God wordt opgenomen, is meteen vertrouweling, vriend van God, ingewijd. ‘… Wie Mij ziet, ziet de Vader’ (Joh.14,9). Jezus openbaart het geheim Gods. ‘Ik zei dat Hij (de Vader) aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft, omdat al wat de Vader heeft het mijne is’(Joh.16,15). Jezus Christus voert ons in die vriendschap binnen.

Jezus openbaart èn geeft ons God die het leven is. ‘Zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo gaf Hij ook aan de Zoon leven in Zichzelf te hebben’ (Joh.5,26). ‘…Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt u door Mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld’ (Joh.6,32-33). ‘Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij’ (ib.57).

Eucharistisch leven

Uit het voorgaande blijkt tevens dat ons geestelijk leven Eucharistisch leven is, want de ontmoeting met God in Christus geschiedt voor ons in de heilige Eucharistie. Genadeleven is het leven van God dat ons in de Eucharistische Christus wordt meegedeeld.

De heilige Eucharistie is dus niet zomaar een van de vele genademiddelen: dit allerheiligst Sacrament heeft een fundamentele en centrale plaats, men mag het noemen ‘het constituerend element van onze christelijke existentie’. ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U: als ge het vlees van de Mensenzoon niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag’(Joh.6,53-54).

Uitgaande van de Eucharistie moet van ons geestelijk leven ook gezegd worden dat het kerkelijk leven is. Immers, de heilige Eucharistie is de bindende factor van de Kerk, constitueert als ’t ware de Kerk, het Mystiek Lichaam van Christus. ‘Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood’ (1Kor.16-17).

‘Het menselijk lichaam vormt ondanks de verscheidenheid der ledematen één geheel; alle ledematen, hoevele ook, maken tezamen één lichaam uit. Zo is het ook met de Christus. Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest door het doopsel één enkel lichaam geworden en allen werden wij gedrenkt met één Geest’ (1Kor.12,12-13).

De heilige Eucharistie –  Lichaam en Bloed van Christus – is het sacrament van de steeds verder gaande, steeds meer tot voltooiing komende vorming van het Lichaam van Christus, dat genoemd wordt het ‘Mystieke Lichaam van Christus’, de heilige Kerk.

Het mysterie van de Eucharistie is het mysterie zelf van Christus, die onverbreekbaar verbonden blijft met de mensheid en de wereld door Zijn Lichaam.

God is Liefde

‘Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. Hierin heeft Gods liefde zich onder ons geopenbaard dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij door Hem zouden leven. Hierin bestaat de liefde; niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad en Zijn Zoon gezonden als zoenoffer voor onze zonden.

Geliefden, als God ons zozeer heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben. Nooit heeft iemand God aanschouwd; als wij elkander liefhebben, blijft God in ons en is Zijn liefde in ons volkomen. Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons: dat Hij ons van Zijn Geest heeft gegeven.

En wij, wij hebben aanschouwd en getuigen dat de Vader Zijn Zoon heeft gezonden als Heiland der wereld. Alwie belijdt dat Jezus de Zoon van God is – God blijft in hem en hij in God. En wij, wij hebben de liefde erkend die God voor ons heeft, en wij geloven in haar. God is liefde; wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem’ (1Joh.4,8-16).

Het genadeleven dat we in Christus krijgen, is dus een openbaring en mededeling van Gods liefde. De liefde waarmee de Vader de Zoon bemint, strekt zich ook uit tot ons.  ‘Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben’ (Joh.3,16).

Zo komt het dat Jezus, in de liefde van de Vader verblijvend, ook ons in de liefde Gods omvat en uit liefde voor ons is gestorven. ‘Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad. Blijft in Mijn liefde. Als  gij Mijn geboden onderhoudt, zult gij in Mijn liefde blijven gelijk Ik, die de geboden van Mijn Vader heb onderhouden, in Zijn liefde blijf. Dit zeg Ik u, opdat Mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden.

Dit is Mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad. Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden’ (Joh.15,9-13).

Zo wordt de liefdegemeenschap die Jezus met Zijn Vader verbindt, uitgebreid tot de gelovigen, zij worden opgenomen in de liefde Gods die de Vader en de Zoon één maken.

‘Zoals Gij Mij in de wereld gezonden hebt, zo zend ik hen in de wereld, en omwille van hen wijd Ik Mij aan U, opdat ook zij in de waarheid aan U toegewijd mogen zijn.

Niet voor hen alleen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U; dat zij ook in Ons mogen zijn zodat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en de wereld zal erkennen, dat Gij Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad,     zoals Gij Mij hebt liefgehad’ (Joh.17,18-23).

Slotbemerking

In dit artikel wordt er niet naar gestreefd een diepgaande en concrete studie te maken van wat het kindschap Gods exact inhoudt: dat is een ondoorgrondelijk mysterie Gods, dat wij nu slechts in geloof kunnen aanvaarden – straks in de hemel zullen wij het mogen zien. De hier geboden gedachten en vooral de aangehaalde Bijbelteksten bieden stof tot overweging, voor gebed en meditatie, om dankbaar te overwegen hoe groot onze verheffing is: dat wij niet alleen maar de naam van ‘kind Gods’ gekregen hebben, maar dat wij dat wis en waarachtig, daadwerkelijk en ten volle ook zijn. ‘Ziet welk een liefde de Vader ons heeft gegeven, dat wij kinderen van God genoemd worden; en wij zijn het ook! Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet heeft erkend. Geliefden, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard. Maar wij weten dat wanneer het zich openbaart wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is’ (1Joh.3,1-2).                                                                                                 

Pater Familias

Eindredactie: Jan Leechburg Auwers