Pater Johannes Reus

‘Het grootste is de liefde’

In de missie van Brazilië ontving pater Reus in 1912 de stigmata. 

In zijn aantekeningen spreekt Pater Reus op 12 september 1912 voor het eerst over een smartelijke liefdeswond van zijn hart. De zielen die met zo’n liefdesverwonding begenadigd worden zijn zeer zeldzaam. De heilige Geest zoekt diegenen uit, van wie de gebeden en offers voor God unieke betekenis en werkzaamheid bezitten. Een andere grote genade, waarvoor Pater Reus zich de eerste keer diep schaamde, maar die zich daarna vaker herhaalde, was het  mystiek rusten aan de borst van de Heer. ‘Mijn pen verzet zich bij het schrijven over deze genade, maar het is ongetwijfeld waar dat U zich gewaardigd hebt mij deze genade te schenken’ (15-9-1912).

Al spoedig daarna volgden bij Pater Reus de mystieke verloving en het geestelijk huwelijk. ‘De geestelijke verloving met de nacht van de geest bereidt de mens voor op het geestelijk huwelijk, waar de ingestorte liefdeservaring, die tot dan toe een voorbijgaand en afwisselend karakter vertoonde, een blijvend en duurzaam karakter krijgt. Zij wordt ook omvormende vereniging genoemd, omdat zij de mens geheel naar al zijn vermogens omvormt en doet leven in en vanuit Gods meegedeelde en ingestorte liefde. Deze hoogste en intiemste liefdeservaring door de gave van wijsheid doet de mens in een heilig huwelijk deelnemen aan het goddelijk liefdeleven, waarin Vader en Zoon zich aan elkaar geheel wegschenken in hun beider Liefde-Gave in Persoon, de heilige Geest. Zijn persoonlijke vereniging met de Liefde in Persoon bereikt hier een zeer bewuste en boeiende bekroning. Een der belangrijkste kenmerken van deze omvormende vereniging is de heerschappij van de goddelijke liefde, die hier zo alomvattend en ingrijpend wordt, dat de mystieke mens zich ook te midden van zijn dagelijkse werk, zelfs in vaak zeer drukke omstandigheden, het werktuig weet van Gods liefde, die zich in en door hem meedeelt aan de wereld in offerende, biddende en werkende liefde’ (Catholica, A.M. Heidt, 1961; p. 1137).

 

Mystieke verloving

Een maand na de inprenting van de stigmata kreeg Pater Reus op 7 oktober 1912 de genade van de mystieke verloving, zoals ook de H.Catharina van Siena en anderen die ontvingen. In zijn aantekeningen lezen wij: ‘Die allerliefste Moeder was met haar goddelijk Kind bij mij. Nadat ik enige tijd zeer innig met de hoogheilige Drievuldigheid was verenigd, meende ik eerst een menigte engelen te zien, dan de goddelijke Majesteit, zodat ik, neergeworpen voor God, mezelf in mijn niets-zijn terugtrok. Dan scheen een engel haastig naar me toe te komen om een kleed als een soort mantel om me heen te leggen en een ring aan mijn vinger te steken, opdat ik als een kind Gods voor Zijn goddelijk aangezicht zou verblijven.’

Pater Reus schreef wel wat op over deze genade, maar ‘maakte er niet veel werk van’, omdat hij zich niet als bijzonder begenadigd wilde beschouwen. Eerst later drong het tot hem door dat hij ‘zo’n ondankbare houding had aangenomen’ en hij bad vurig om vergeving.

Zoals andere mystici spreekt Pater Reus menigmaal over zijn ‘bruidsliefde’ (‘bräutliche Liebe’) tot God en tot Christus. In de H. Schrift, in het bijzonder in het Hooglied, wordt de verhouding van de menselijke ziel tot God beschreven met het beeld van de echtelijke liefde. Zo wordt de innige verhouding van de ziel tot God met de edelste vorm van menselijke liefde aangeduid.

Mystiek huwelijk

Echtelijke liefde’, aldus Pater Reus, ‘heeft voor ons, armzalige mensen, zo’n bijsmaak van zinnelijkheid, maar deze goddelijke bruidsliefde is de allerreinste liefde, vrij van alles wat op een of andere manier aanstoot kan geven.’

Mystieke bruidsliefde voert tot het hoogste, tot het geestelijke of mystieke huwelijk van de ziel met God. Deze vindt tenslotte haar uiteindelijke voltooiing in de zalige aanschouwing van God in het hemelse bruiloftsfeest. Het karakteristieke van deze op aarde hoogst bereikbare graad van genade bestaat daarin dat de ziel zich er te allen tijde van bewust is in het leven van de Drieëne God te zijn opgenomen, het bewustzijn bezit dat men werkelijk met zijn menselijke ziel ten innigste met de Godmens verenigd is. De genade van het mystieke huwelijk werd Pater Reus in oktober 1912 geschonken; eerst later zal hij dit ook als zodanig erkennen.

‘Geef dat ik geheel in U omgevormd mag worden! – Ik bid U Uw genade te bespoedigen, opdat ik U volkomen liefhebbe. Mijn ziel hongert en dorst naar U en aanvaardt iedere voorwaarde overeenkomstig Uw heilige wil. – Geef dat ik het offer van Uw Liefde mag zijn’ (19-1-1913).

Het gaat hier om het hoogste en diepste, om een totale wegschenking van zichzelf aan Jezus, de Bruidegom van de ziel. ‘Ik leef niet meer, Christus leeft in mij’.  Groot genadegeheim!

Nieuwe genaden, maar ook beproevingen

Deze grote genade van de innigste vereniging met God werd voor de Dienaar Gods het uitgangspunt van steeds meer nieuwe genaden. Zo doorleefde hij in die tijd vaak de geestelijke nabijheid van engelen en heiligen. In het bijzonder nam hij dikwijls de tegenwoordigheid waar van de H. Theresia van Avila, de grootste mystica van haar tijd (overleden op 15 oktober 1582).   Pater Reus beantwoordde dat alles met oprechte deemoed des harten. De vernederingen en beproevingen namen steeds toe. Het leek er wel op, alsof de Heer zelf het zichtbare werk van Zijn uitverkorene wilde inperken om hem des te meer op de weg te zetten van zijn hoogste priesterlijke zending: zich onbeperkt op te offeren en geofferd te worden in liefde. Dit is een wet van het geestelijk leven: als een ziel zich eenmaal aan God geschonken heeft, dan maakt God haar consequent geheel los van al het aardse. Alleen een totaal offer gaat voor God in vlammen op, een half offer brandt alleen maar en doet pijn. God wil ons ‘ja’ tot in de uiterste consequenties.

Pastoor te San Leopoldo (1913-1914)

Nauwelijks een jaar werkte Pater Reus op de school en bij de congregatie in Porto Alegre, of die taak werd hem weer ontnomen, want hij werd overgeplaatst naar de parochie van San Leopoldo. Deze snelle overplaatsing ondervond hij als een vernedering. Alhoewel zijn natuur  zich daarover wel enigszins opwond, sprak zijn ziel echter in alle nederigheid haar jawoord uit voor deze nieuwe roeping. Onmiddellijk zette hij zich met heel zijn hart en priesterlijke bezorgdheid voor zijn nieuwe roeping in.

De parochie, eveneens in Zuid-Brazilië gelegen, telde circa 9000 zielen, waaronder 4000 van Duitse afkomst. Een van zijn hoofdzorgen was het catechismusonderricht in de ongeveer twintig scholen van zijn uitgestrekte parochie. Al zijn bezoeken deed Pater Reus te voet of gezeten op een muilezel. Eens viel zijn lastdier zo ongelukkig dat zijn voorpoot op de borst van Pater Reus terechtkwam. Tijdens de valpartij had hij Jezus’ naam aangeroepen.‘Dankzij deze heilige naam’, zo schreef hij, ‘traden er geen ernstige gevolgen op.’

De nieuw benoemde pastoor rekende erop vele jaren in deze parochie te blijven. Hij was God dankbaar zielzorger te mogen zijn en spande zich in om grondig werk te verrichten. Alle gezinnen van zijn parochie bezocht hij persoonlijk: geen gemakkelijke opgave. Gemengde huwelijken bracht hij zoveel mogelijk in orde. Heel bijzonder ging zijn zorg uit naar de zieken en de armen. Steeds liet hij zich door twee katholieke mannen begeleiden. De leken moeten immers trouwe helpers van de zielzorgers zijn. ‘Met de protestanten’, zo zei hijzelf, ‘probeer ik altijd op goede voet te staan. Maar tot compromissen in principiële zaken omwille van de lieve vrede ben ik niet bereid.’

Toen hij eens ‘de beklagenswaardige toestand van verschillende afvallige families overdacht’, scheen het hem toe, alsof de Heiland hem troostend verzekerde: ‘Mijn bescherming gaat uit naar de hele parochie en Ik heb ze onder Mijn hoede genomen – om uwentwil’. Die woorden ‘om uwentwil’ waren voor hem een reden tot schaamte.

‘Mij gaat het goed’, schreef hij op 17 november, ‘ondanks de ongehoorde arbeid die op mij drukt. Het komt mij voor dat ik in dezelfde mate waarin ik werk sterker word en meer weerstand opbouw’.

Hij besteedde veel aandacht aan de H.Hart-devotie. In de junimaand hield hij iedere avond Lof met korte preek. De maanden mei en oktober wijdde hij bijzonder toe aan de Moeder Gods.

 

Als een vuur

Wat zijn innerlijk leven betreft werd hij sinds zijn mystiek huwelijk als door een verzengend vuur verteerd. Alleen het goddelijk liefdesvuur zelf kon het verlangen van zijn hart nog stillen. De oneindige Liefde volle wederliefde geven: daar ging het bij hem om.

‘Mijn ziel hongert naar Uw liefde’, dat wordt steeds herhaald in zijn aantekeningen. Zeer vaak ging dat liefdesvuur met smart en pijn uit liefde vergezeld. Zo overkwam hem op 29 mei plotseling het gevoel van de tegenwoordigheid van de allerheiligste Drieëenheid. Hij scheen neer te knielen tussen de Serafijnen die allen gloeiden van liefde tot God. ‘Maar’, zo merkt hij op, ‘zij waren rustig, maar ik was hevig bewogen, omdat de last van mijn lichaam de goddelijke Liefde niet kon verdragen’.

In diepe nederigheid geeft hij toe dat hij, ondanks de vereniging met de allerheiligste Drievuldigheid, toch altijd weer last heeft van verstrooiingen. Hij schaamde zich daar ten zeerste over: verstrooiingen tijdens de ogenblikken van diepste vereniging met God!

Hoe oneindig barmhartig en goed is God toch! Samen met Pater Reus willen wij de goede, oneindig heilige God van harte bedanken voor de vele genaden die Hij hem bewees en die God ook alle zielen bewijst die zich voor Zijn liefde openstellen. Niemand verlangt zozeer naar het geluk, naar het volledige en voltooide geluk van de mensen als de oneindig liefdevolle God. Iedere ziel is heel persoonlijk het voorwerp van Zijn liefde. Wij zouden veel meer in die liefde moeten geloven en dagelijks onophoudelijk moeten bidden: Mijn God, ik geloof in Uw liefde voor mij, ik geloof in Uw oneindige liefde voor mij, arme zondaar’.

Jan Leechburch Auwers