Categorie: Kindschap Gods

God in ons: Over het grote voorrecht te mogen delen in Gods eigen leven


God in ons (7)

Hoe onze bovennatuurlijke voorrechten te ‘realiseren’

Deze term (realiseren en realisatie) werd in dit verband voor het eerst gebruikt door kardinaal Newman: to realize. Het staat ongeveer gelijk met ons’ verwerkelijken’ in de oorspronkelijke betekenis van het woord: iets tot goed besefte, innig doorvoelde, levende, levenwekkende en diep doorleefde werkelijkheid maken. Zo moet in ons een grote waardering gaan leven voor het unieke voorrecht van het kindschap Gods, de staat van genade, te mogen delen in Gods eigen leven!

 

‘Als je de gave Gods zou kennen…’

De katholieke universiteitsprofessor Ollé-Laprune schreef eens in zijn dagboek: ‘Ik ben christen door de genade Gods. Weet ik wel wat het is: christen te zijn? Het is niet voldoende christen te zijn uit sleur, uit gevoel. Ik wil weten waarom ik christen ben, ik wil het zijn na overdenking en onderzoek, uit vrije wil. Ik wil mij ervan bewust zijn wat ik ben, het proberen te zien en te begrijpen… De beginselen en waarheden van het christendom wil ik mij voor de geest halen, ze overdenken en trachten te doorgronden…’

Hier is een christen aan het woord die geen genoegen neemt met een geloofsleven uit sleur of gewoonte, maar die zich ernstig rekenschap wil geven van de bovennatuurlijke schatten die het Doopsel ons geeft. Zelfs de zogenaamd ‘goede’ christengelovigen tonen zich vaak zo weinig echt ‘christen’, maar hoe komt dat? Zij realiseren hun goddelijke voorrechten niet genoeg, ze zijn er zich niet diepgaand van overtuigd en brengen de doopgenaden te weinig in praktijk.

God woont in ons door de genade. Wij echter leven praktisch zo alsof Hij er niet is. ‘Realiseren’ nu bestaat hierin: dat wij trachten in te zien welk oneindig goed wij binnenin ons bezitten, proberen te beseffen wat – beter: Wie – zich daar bevindt. Het gaat er niet om Hem erin te brengen (Hij is er immers al), maar om Hem er te ontdekken, ervoor te zorgen dat Hij die reeds in ons is, er ook werkelijk voor ons is: een levende realiteit die wij ons ‘realiseren’.

Want hoe zou een schat, waarvan we het bestaan niet eens kennen, voor ons een aansporing kunnen zijn om christelijk te leven? Men zal wellicht zeggen: om in staat van genade te leven is het absoluut niet nodig het wezen van die bovennatuurlijke toestand te doorgronden. Hoofdzaak is: in staat van genade te leven; als ik vrij ben van zonde, dan is dat genoeg. Zolang ik in staat van genade ben, is mijn leven verdienstelijk, zijn mijn daden goede werken, nuttig voor mijn eeuwige zaligheid; mijn ziel is immers met God verenigd. Het is toch niet nodig dat ik die bovennatuurlijke realiteit kan verklaren, dat ik de consequenties en draagwijdte ervan naga.

Ja, dat is inderdaad niet nodig om het leven van jan en alleman te leiden. Akkoord! Maar kan men het leven van een groot percentage van de katholieken nog wel echt ‘katholiek’ noemen? Men neemt vaak genoegen met sommige simpele gebruiken en devoties, waarvan men dan bovendien de diepere zin niet goed beseft. Of het gaat alleen maar om wat uiterlijke schijn, en dat is alles! Maar dat is helemaal geen leven, omdat verstandelijk inzicht en diepgaande overtuiging geheel ontbreken!

‘Als ge enig begrip hadt van de gave Gods…’ (Joh 4,10). Als we die goddelijke gave maar eens een beetje meer, een beetje beter zouden begrijpen! Als we er alvast maar een flauw vermoeden van zouden hebben!

 

Wij moeten tot een levendige overtuiging komen van de onzichtbare realiteit

Ongelukkig genoeg ondervindt een beter inzicht bij ons omtrent die innerlijke goddelijke gave een grote hindernis. Want heel de bovennatuurlijke orde behoort tot de onzichtbare wereld en loopt daarmee groot gevaar ongemerkt aan ons voorbij te gaan.

Een eerste noodzaak is dus: zich te overtuigen van de realiteit, van de werkelijke toestand die er in ons is. Die staat van genade is er echt en werkelijk, maar wij moeten die ons geheel eigen maken.

Men zegt dan al te gauw: ‘Ik voel niets, dus is er ook niets’. Heel wat verschijnselen van de meest stoffelijke aard hebben in ons plaats, die ons bewustzijn volkomen ontgaan: spijsvertering, stofwisseling, bloedsomloop enz. Is het dan zo vreemd dat, waar sprake is van zieleleven en van geestelijke, bovennatuurlijke verschijnselen, er niets opgemerkt, niets gevoeld wordt? Men moet er zich wel van overtuigen dat buiten de zichtbare wereld er nog een tweede wereld bestaat – al kunnen wij die niet zien – en dat die onzichtbare wereld van een heel wat verhevener orde is dan de zichtbare.

God die van alle eeuwigheid onzichtbaar is, heeft zich niet meer dan drieëndertig jaar zichtbaar en tastbaar aan ons vertoond. Heeft Hij daarom slechts drieëndertig jaar bestaan? Wij kunnen Zijn tegenwoordigheid niet waarnemen, maar toch ‘leeft Hij eeuwig’.

De zielen van de overledenen die deze wereld verlaten hebben, zijn uit het schouwspel van de zichtbare wereld verdwenen, omdat zij niet meer op onze zintuigen inwerken (we kunnen ze niet meer zien, horen, voelen), maar daarmee houden zij nog niet op te bestaan. Als een mens de spraak verliest, wil dat nog niet zeggen dat hij niet meer kan denken, wel dat hij ons zijn gedachten niet meer gemakkelijk kan meedelen.

Wij leven dus in een geestelijke wereld, niet louter in een wereld van het zichtbare; en van deze twee werelden is niet de stoffelijke, maar de geestelijke de meest werkelijke. En omdat die geestelijke wereld eigenlijk alleen meetelt en voor ons van betekenis is, nodigt Sint-Paulus ons uit ook alleen op het geestelijke acht te slaan. Leeft niet op de aarde, maar in de hemel: ’Maar ons vaderland is in de hemel, vanwaar wij dan ook de Heer Jezus Christus als onze Heiland verwachten’ (Fil 3,20). Uw leven moet in God verborgen zijn: ‘Uw leven is nu met Christus verborgen in God’ (Kol 3,3). En dan nog dit: ’…omdat hij de Onzichtbare om zo te zeggen zag’ (Hebr 11,27). Heb dus slechts oog voor de onzichtbare dingen. En dat onzichtbare betekent niet: zeer ver weg of in de toekomst, maar heel dichtbij ons en nu tegenwoordig; wie dus die onzichtbare wereld niet elk ogenblik beschouwt als een actueel bestaand iets, die zal onvermijdelijk maar half of hoogstens voor driekwart leven, omdat het mooiste deel van de werkelijke wereld, van de totale wereld hem ontgaat.

Kardinaal Newman komt heel vaak op dat idee terug en herleidt alles tot deze twee stellingen.

Er bestaan heel wat dingen, waarvan wij weten dat ze bestaan, zonder dat we ze daarom ooit als werkelijk bestaand hebben gezien. Wij horen heel wat woorden, waarin een waarheid ligt uitgedrukt en die wij ook als zodanig erkennen, maar desondanks vatten wij die slechts als beeldspraak op en beschouwen wij die waarheden louter theoretisch en praktisch van nul en gener waarde.

Een paar voorbeelden: Neem eens het woord ‘uur’. Voor degene voor wie dat woord geen praktische waarde heeft, die het niet ‘realiseert’, betekent het de som van zestig minuten. Voor hem die het wel ‘realiseert’ en die aan de praktische waarde van een uur denkt, heeft dat woord een heel andere betekenis, al naar gelang zijn denkwereld, temperament, levensomstandigheden enz. ‘Het uur dat snel voorbijgaat…, de reeks van zestig snel opeenvolgende minuten…’ In één minuut hebben honderden sterfgevallen plaats en ook honderd geboortes. Bij honderden de eerste levenskreet, bij honderden ook de laatste levenssnik.

Neem een ander woord: het kruis. Wie het niet ‘realiseert’, tot een levende werkelijkheid maakt, die denkt bijv. aan twee lijnen – de ene horizontaal, de andere verticaal – of aan het rekenkundig teken plus. Maar voor wie het wel ‘realiseert’ en die in zijn leven omzet, houdt het in:  eenmaal, langgeleden, heeft op een berg een kruis gestaan, een echt houten kruis. Waartoe het heeft gediend? En welke dag was dat? Dikwijls heeft men het beeld van de gestorven Jezus aan een kruis geklonken, maar aan dat éne kruis heeft men een levende, bloedende Jezus vastgenageld… En Hij is er voor mij aan gestorven.

Menig woord maakt geen indruk meer op ons, omdat het veel, vaak dagelijks gebruikt wordt. Bij toeval of door dieper na te denken begint zo’n woord op zekere dag plotseling voor ons te leven, krijgt het zin en leven; eerst leeg heeft het nu diepe betekenis, eerst zwak blijkt het nu rijk aan onvermoede werkelijkheid.

 

Om zich een waarheid ten volle en levendig eigen te maken, moet men deze innerlijk ‘proeven’

De H. Ignatius van Loyola maakt de volgende bemerking. Om een waarheid tot de zijne te maken, moet men er niet vluchtig overheen glippen, maar erbij stilstaan, erop terugkomen, als ’t ware zich erop fixeren: de dingen innerlijk proeven. ‘Veel tijd is er nodig’, schrijft Newman, ‘voordat wij de zaken aanvoelen en begrijpen zoals ze werkelijk zijn; geleidelijk aan, trapsgewijs zullen we dat leren.’ Als dit bij het waarnemen van zichtbare dingen al een belangrijke factor is, hoeveel te meer dan in het rijk van het onzichtbare.

Wrakhout op zee blijft lang drijven op de golven totdat uit de zee komende zouten, koralen, zeewier, schelpen e.d. zich erop vastzetten. Langzaam, langzaamaan zinkt het dan dieper en dieper. Dat is dat innerlijk proeven. Zo moet het ook gaan met bepaalde begrippen, vooral als wij ze niet met onze zintuigen kunnen waarnemen. Aan de oppervlakte van onze geest ligt menig idee: het blijft daar drijven zonder erin door te dringen. Om er diep in te zinken moet het eerst een deel van onszelf worden, moet het zwaarder gemaakt worden met dingen die uit de diepte van onze eigen geest opstijgen  en doordrongen worden van onze herinneringen, onze intiemste gedachten, onze fijnste of meest ingrijpende gevoelens, van al wat er in onze ziel leeft en streeft: zo zal dat begrip ons voor altijd vertrouwd raken, echt een stuk van onszelf worden. Dan beginnen wij het te ‘realiseren’.

*            *            *

Het is duidelijk dat sommige zielen voor dit werk van ‘realisatie’ een gunstiger aanleg hebben dan andere. Maar wat nodig en voldoende is, dat kan iedereen bereiken, mits men zich oefent in de geest van geloof. Wij spreken hier enkel en alleen over wat voor ieder toegankelijk is op gebied van godsvrucht en innerlijk leven. God heeft sommige zielen met bijzondere gunsten begenadigd. Voor de H. Margaretha Maria was de gevoelde tegenwoordigheid van de Heer vrij gewoon. Tot de Zalige Heinrich Suso zei zijn Engelbewaarder eens: ‘Richt uw ogen op uw borst en ge zult zien’. En alsof zijn lichaam doorschijnend werd, zo zag hij God in zijn binnenste. Tot de H. Catharina van Siëna zei O.L.Heer eens: ‘Gij zijt degene die niet is en Ik ben Degene die is. Beschouw Mij in het binnenste van uw hart, gij zult weten dat Ik uw Schepper ben en ge zult gelukkig zijn!’

Deze gevallen, waarbij het gaat om bijzondere genaden, aan bevoorrechte zielen gegeven, blijven hier verder buiten beschouwing, omdat deze studie zich wil bepalen tot de tegenwoordigheid Gods in elke ziel in staat van genade, enkel en alleen door het feit zelf dat zij in staat van genade is, d.w.z. delend in het Goddelijk Leven. Wie zou eender welke christen kunnen beletten zich erop toe te leggen door het geloof de God die in hem leeft, te ontdekken?

Als ik naar de kerk ga, weet ik door het geloof: de Heer Jezus Christus woont daar in het tabernakel. Ik kniel neer en belijd: Jezus is daar voor mij…, dat is waar. En dan denk ik er verder over na. Waarom zo ook niet gedaan wat betreft de tegenwoordigheid Gods in ons door de genade?

In het boek De Heer van de Wereld  van Hugh Benson beschrijft de auteur de ervaringen van een van zijn romanhelden als volgt: ‘Zoals altijd begon hij ook nu zijn overweging door zich vrijwillig van de zintuiglijke en zichtbare wereld af te sluiten’ – laten we zeggen: hij begon met een geloofsdaad getuigenis af te leggen van het bestaan van de onzichtbare wereld. ‘Hij deed moeite om in zijn eigen innerlijk binnen te dringen en erin af te dalen. Al spoedig verdwenen de klanken van het orgel, het geschuifel van voeten en het gevoel van de harde houten knielbank; dat alles was uitwendig en leek van hem af te glijden, alsof hij alleen nog een kloppend hart was, een geest die telkens weer nieuwe beelden schiep en emoties… Dan ging hij er nog dieper op in. Zijn geest en zijn hart werden geheel beheerst door het verhevene dat hij aanschouwde en volgzaam onderwierp hij zich aan zijn wil… Dit duurde een tijdje… Nu bevond hij zich voor een geheime deur, waarheen hij in taaie wilsvolharding de weg had gevonden, die toegang gaf tot het mysterievolle gebied, waar de realiteit duidelijk wordt, waar het geloof als het ware voelbaar en tastbaar wordt en waar men de Kerk en haar geheimen van binnen in ziet…’

Het voorafgaande is tamelijk lastig en ook volstrekt niet nodig. God leeft in mij. Dat geloof ik. Daarmee stel ik een geloofsdaad, maar de geest van geloof gaat verder. Het blijft niet bij louter instemming met een formule, waarvan de inhoud ons vaak slechts zwak en vrij waardeloos voorkomt, maar men gaat over tot instemming van het hart, met een offervaardige bereidheid en toewijding, zodat nu de inhoud ervan in totale omvang en volle rijkdom tot uitdrukking komt. Is het te veel gevraagd van een gedoopte die zijn geloof wil beleven, om – naar het voorbeeld van professor Ollé Laprune – zich van tijd tot tijd af te vragen : ‘Ik ben christen door de genade Gods… Weet ik eigenlijk wel wat het zeggen wil: christen te zijn? Denk ik daar voldoende aan?’

Wat een grote innerlijke kracht kunnen wij vinden in deze overtuiging: ‘God verlaat mij niet. God is bij mij en in mij.  Hij houdt van mij. Het mensgeworden Woord Gods, Jezus Christus, is innig, van hart tot hart, met mij verenigd. Zijn geest ruist door mij als de lichte ademtocht van de profeet. Ik hoef slechts te luisteren en te volgen; slechts te erkennen en te smaken, slechts te vertrouwen en te hopen. Mijn leven is niet iets vreemds dat ik prijs moet geven om de Meester na te volgen: Hij zelf neemt mijn leven in Zich op. Ik leef in Zijn gezelschap. Zo ga ik voort, het kwade afwijzend en het minder goede vermijdend. De aanwezigheid van de hemelse Vriend hindert mij niet in mijn dagelijkse plichten, maar helpt mij juist ze met vreugde en volharding te volbrengen: mijn werk is immers Zijn werk.’  En inderdaad, is het niet de hoogste en meest verheven grootheid van de mens dat God in hem leeft; dat God, als Hij niet in mij leeft, er leven wil; dat God, als Hij in mij leeft, er steeds voller en meer volkomen in wil leven?

 

Onze verantwoordelijkheid voor een wereld die het christendom afschudt en verafschuwt

Alles in onze hedendaagse samenleving wordt steeds meer ‘geseculariseerd’ (afgeleid van het Latijnse saeculum = wereld), dus louter werelds beschouwd en als ontrokken aan iedere invloed van God: regering, bestuur, openbare instellingen, kortom alles. Het verwondert ons en beangstigt ons soms. Men zou zich kunnen afvragen: wat zou er in onze zichtbare wereld anders zijn, als het bovennatuurlijke in het geheel niet bestond? Als de verlossing en het kruis slechts een droom zouden zijn? Als Jezus Christus slechts een door mensen bedachte mythe was?

Men zou daarop geen antwoord kunnen geven of hooguit zoiets als: niets, absoluut niets zou anders zijn of zeer weinig!

De verantwoordelijkheid voor deze toestand valt op velen terug, maar voor een groot deel op de christenen, ook de zgn. ‘goede’ christenen, die zulke verheven schatten bezitten maar vergeten zijn eraan te denken of ze te onderzoeken, ze uit te diepen en goed te benutten.. Fréderic Ozanam, de stichter van de St.-Vincentiusverenigingen, maakte zich in 1834 dit verwijt: ‘Ofschoon ik mijn godsdienstplichten altijd trouw ben nagekomen, zie ik toch in dat ik de gedachte aan de onzichtbare, de werkelijke wereld tot nu toe niet genoeg heb aangekweekt in mijn hart, niet de allereerste plaats heb gegeven’. Zijn nederigheid deed Ozanam zo spreken. En wij, wat zeggen wij?

Het wordt hoogtijd onze goddelijke voorrechten eens te gaan ‘realiseren’. ‘O, dat intieme genadeleven met Jezus. Je bent nooit alleen, mijn ziel! Hij die je heeft vergoddelijkt, Hij leeft in je! Je bent door aanneming, door ‘naturalisatie’ in de goddelijke gemeenschap opgenomen’. Dat is vaak wel de taal van een bekeerling. Dikwijls zien zij die eerst later katholiek werden – en dat vaak uit diepe overtuiging – dat grote voorrecht beter in dan wij. Wat ons niet eens meer verwondert, brengt hen in verrukking. Zo zegt een Löwengard: ‘Hoe verheven is toch de eenvoudigste ziel, zelfs in het ellendigst lichaam en het armoedigste kleed, hoe heerlijk is toch de ziel, als Gods genade haar bekleedt: een onsterfelijk paleis wordt zij, waarin de Koning der koningen woont, de Heer der heersers, God in drie Personen’.

Is het mogelijk? Is het te geloven? De ziel in staat van genade zou de allerheiligste Drievuldigheid waarachtig in zich bezitten; zou de drie-ene God tegenwoordig weten in haar geest en vlees; zou zo de goede God mogen beminnen als een bruid haar bruidegom!

Naar het lichaam, genomen uit het slijk der aarde, is de mens oneindig gering, maar toch is hij tevens oneindig groot, oneindig edel, grenzeloos verheven, omdat hij door de genade deelt in het leven van God zelf.

Waarom toch doet de mens zo’n moeite om zichzelf altijd hardnekkig te ‘kleineren’? Zich kleiner te achten dan men door Gods genade is? Waarom toch, terwijl hij zo groot is, altijd hardnekkig zich zo klein houden en zo ‘kleintjes’ leven? Wat jammer toch! Wat een verschrikkelijke zonde van verzuim! Wat een grove miskenning van het meest elementaire ‘realisme’. De samenleving maakt zich daaraan schuldig door zich te organiseren – althans te trachten zich te organiseren – met de uitgesproken wil hoegenaamd geen rekening te hoeven houden met het bovennatuurlijke. Maar ook wijzelf begaan deze fout, als wij in het praktische leven de mens miskennen en niet zo beschouwen zoals hij door God is geschapen! Immers, de mens bestaat niet slechts uit een lichaam en een ziel, maar – naar de mooie definitie van Tertullianus – uit ‘een lichaam, een ziel en de H. Geest’.

Wat een trotse aanmatiging en tegelijkertijd wat een diepe vernedering: in de mens niets anders te zien dan de uiterlijke mens! ‘Tot kind Gods genaturaliseerd’, hebben wij niet meer het recht puur werelds, ‘geseculariseerd’ te leven; hebben wij niet meer het recht de secularisatie van zeer veel, bijna alles, lijdelijk en werkeloos toe te zien. God moet meetellen in het leven, zowel in het leven van maatschappij en natie, als in ieders persoonlijk leven. God moet daarin weer de juiste plaats krijgen. Men tracht God meer en meer uit te bannen, uit te schakelen, buiten beschouwing te laten en de mensen te doen geloven dat zij louter ‘menselijk’ zijn.

Volkeren en individuele personen het bovennatuurlijke te doen vergeten en van al het bovennatuurlijke te beroven staat gelijk aan: hun een begin van een ‘verdoemenis’ op te dringen. Immers, de verdoemden zijn niets anders dan wezens die ‘ontgoddelijkt’, ‘ontwijd’ zijn, schepselen die hun verheven eindbestemming voor eeuwig verspild hebben. Wat is de hel anders dan het terrein van algehele ‘secularisatie’, het verbanningsoord, waar – omdat engel en mens het zo gewild hebben – God vrijwillig niets meer is, waar dus ook God ‘verbannen’ is…

Woorden zijn hier niet toereikend. Als kinderen Gods mogen wij niet als gewone mensenkinderen leven. Laten we dan ook een ‘goddelijk’ leven leiden en trachten wij eraan mee te werken dat ieder in onze omgeving ook een ‘goddelijk’ leven leidt (waarin God volkomen tot Zijn recht komt). Zo moeten wij onze bovennatuurlijke voorrechten ‘realiseren’ en de zielen helpen in te zien dat het onze roeping is: met en in en uit God te leven.

Buitenstaanders – zo heeft iemand eens zeer juist opgemerkt – zouden veel gemakkelijker gewonnen worden, als men hun de karakteristieke trekken van het christendom zou tonen in al hun schittering en oorspronkelijke heerlijkheid, in plaats van deze te verdoezelen en in de schaduw te stellen.

Over onze bovennatuurlijke gaven schreef P. Gratry: ‘Als dat alles werkelijk waar is, hoe komt het dan toch dat de mensen er niet meer aan denken? Ik weet het wel: de mensen zijn maar al te zeer gewend dwars door de grootste wonderen heen te lopen zonder er een vermoeden van te hebben. Is niet de tegenwoordigheid van God in de harten het grootste van alle wonderen? Wie heeft er een vermoeden van? Wie houdt er zich mee bezig? Wie bekommert er zich om? “Zeg hun maar niets”, zegt Fénelon, “zij zien niets, zij denken aan niets”.’

En toch! ‘Het leven in gemeenschap met de goddelijke Gast van ons hart is de natuurlijke toestand, waarin alle christenen zich zouden moeten bevinden. Maar waarom is dat dan niet zo? Slechts één op de duizend, misschien maar één op de tienduizend, die deze “gave Gods” erkent’, aldus Mgr. De Ségur.

Is dat niet buitengewoon treurig? Hoelang zal dat nog duren? En wat ons betreft, waar wachten wij nog op om zelf te gaan leven in die ‘natuurlijke toestand’ van iedere gedoopte en om de medemens te helpen de ‘gave Gods’ te erkennen en te beantwoorden?

Moeder Maria, Moeder van de Goddelijke Genade, help ons ten volle als kinderen Gods te leven!

 

Bron: Dit is een bewerkte vertaling van het Franse boek ‘Dieu en nous’ [God in ons] van pater Raoul Plus, SJ, echter aan de hand van een Nederlandse vertaling uit 1930 en een Duitse uit 1959).

(Uit Archief: ODG/03037.Godsinons2(7)

Jan Leechburch Auwers